Independent scholar, cat addict, tattoo lover

hoofdstuk

Wie in de wetenschap wil werken, moet pijn lijden. Dit lijden komt voort uit de transformatie tot wetenschapper, de moeite om ‘een van ons’ te blijven (ten koste van ‘een ander van ons’), de afwijzing door universiteit en bedrijfsleven, misschien zelfs wel de samenleving. Als we wetenschap, universiteit, arbeidsmarkt en samenleving opvatten als complexe systemen, dan kunnen we dus niet een verantwoordelijke partij of ideologie of God aanwijzen als de genius achter het verhaal van in - en uitsluiting.

“Een goede onderzoeker gedraagt zich niet als onderzoeker, hij ís het. Ook als er even niet op hem gelet wordt”, zo schrijven Oost en Markenhof. Promoveren is niet alleen een vak in de vingers krijgen, het vormt ook een identiteit; het gaat niet alleen om meer weten, het gaat ook om anders weten. Dat ‘anders weten’ verdwijnt uit het zicht wanneer een arbeidsmarkt verschijnt waarin kennis weliswaar gevraagd wordt, maar niet onderzocht. Dat zet de aansluiting van gepromoveerden als ‘anders wetenden’ op een niet-wetenschappelijke arbeidsmarkt behoorlijk op scherp.

De golflengtes van burger en lokale overheid zijn nog niet goed op elkaar afgestemd, of beter nog: het beeld dat de burgers van hun ambtenaren hebben komt niet overeen met de werkelijkheid en het is wenselijk dat dit gecorrigeerd wordt. Tegelijkertijd is er een zorg: waar eindigt inspiratie, waar begint manipulatie?

De tegenstelling tussen en daarmee verdeling van oude en nieuwe macht binnen de organisatie is interessant, want als de nieuwe macht onzichtbaar is, hoe kan iemand dan weten wat die nieuwe macht is en dat ze ondervertegenwoordigd is? Misschien zijn de aanhangers van de nieuwe macht in een numeriek voordeel, zonder het te weten; zijn er meer mensen binnen de organisatie die de neiging tot zelfcensuur kennen en deze niet onderdrukken; wordt de oude macht verondersteld, maar als stereotype niet verder onderzocht.

“Ehm, ik vind het binnen onze organisatie nog wel een beetje lastig. Maar dat vind ik ook een beetje lastig om naar buiten te brengen, maar in de zin van ehm, ik vind dat er nog wel hele grote delen van organisaties zijn, ook onze eigen organisatie, dus Agentschap, die helemaal niet op deze manier werkt en kijkt. Er zijn er echt een aantal die het doen, maar wij moeten binnen de organisatie ook ruimte maken. [Ja.] Dus in die zin mislukt er ook iets en vind ik ook wel eens ja, dat krijg je dus ook gewoon niet mee of om.” - Deelnemer vanuit organisatie NVDNM

Het Nederlandse openbaar bestuur kent een traditie waarin met een zekere mate van argwaan en misprijzen wordt gekeken naar initiatieven van burgers. Die conclusie moeten we tenminste welhaast trekken wanneer we in de bestuurskundige literatuur zien dat hiernaar verwezen wordt als ware het een ziekte (Hollanditis) of in elk geval een last (hindermacht). Van hun kant koesteren burgers een traditioneel wantrouwen jegens hun overheid, vooral wanneer die zich te veel met hen gaat bemoeien.

De verbinding is gelegd en onderzoek staat midden in de samenleving. Het was even wat heen en weer schuiven met budgetten en een licht door elkaar rammelen van attitudes, maar nu kan dan elke professional, beleidsmaker of geïnteresseerde burger net als elke wetenschapper deelnemen aan bestaande onderzoeksgroepen of nieuwe onderzoeksgroepen starten. Waar voorheen onderzoek vooral voorbehouden was aan wetenschappers en instituties, verbinden nu nieuwe groepen onderzoekers de productie van kennis met het oplossen van vraagstukken in de samenleving. Dat heet sinds kort publiek onderzoek.

The crisis of representation is felt in both social sciences and democracy. I describe the main features of this crisis and sketch the outlines of a possible way out. Starting from an optimistic viewpoint on what social sciences might accomplish once evolved to a next level, I present a scale for social research that facilitates new ideas about democracy and discuss the notion of ‘public’ as a collection of people that can be identified after an event, because they share common experiences during the event. These experiences are expressed in narratives.

De straat is in de ogen van menig beleidsmaker steeds vaker een sociaal probleem. Al dan niet in samenspraak met burgers stellen overheden gedragsregels of stadsetiquetten op, die zij dikwijls kracht bij zetten met zerotolerancebeleid, extra toezicht en camerabewaking. Burgers worden aangemoedigd elkaar op hun gedrag aan te spreken. Het inschakelen van burgers bij het tot stand brengen van gewenst gedrag op straat kunnen we opvatten als een op het officiële beleid aanvullende strategie, namelijk burgers zichzelf te laten controleren aan de hand van dominante culturele waarden.

Als puntje bij paaltje komt, dan doen we maar wat en daar geven we achteraf betekenissen en bedoelingen aan. We zien dat iets blijkbaar werkt, dus daar gaan we mee door (recursieve processen) en dat iets anders toch niet werkt, dus daar stoppen we dan mee (selecties); maar we voelen ons tegelijkertijd redelijk machteloos, omdat we in wezen niet kunnen weten wat het effect van ons handelen is. Vooral wanneer dingen gebeuren die we toch echt niet zo bedoeld hadden.

Een leergeschiedenis kijkt naar het verleden, Appreciative Inquiry kijkt naar de toekomst. Een combinatie van beide instrumenten lijkt een ideale manier om tot een mooi, rond verhaal van een organisatie te komen. We zijn gewend aan mooie, ronde verhalen met een samenhangende lijn in de gebeurtenissen. Maar eenvoudig is het niet. Hoe groter het aantal mensen met wie we te maken hebben, hoe meer verhaallijnen zich aandienen en hoe complexer de verzameling verhalen wordt. In organisaties bestaat een voortdurend streven daar één heldere lijn in aan te brengen.

4D-onderzoek is onderzoek vanuit een middelpunt. De onderzoeker creëert een eigen, driedimensionaal universum op basis van netwerkprincipes door als initiatief in het centrum te gaan staan, ingrediënten aan te trekken en deze in tussenliggende ruimtes te ordenen. Het onderzoek is interactief: door de onderzoeker verandert het universum en door het aldus nieuw ontstane universum verandert de onderzoeker. De factor tijd (de vierde dimensie) is dus essentieel.

Op dinsdag 21 juni 2005 google ik om 0:14 uur ‘verandermanagement’ en word ik geconfronteerd met circa 74.100 sites die Google in 1,14 seconden heeft gevonden. Wat betekent dit? Zijn dat veel sites of valt dat mee? Is het een populair thema of een stiefthema? En, veel pragmatischer: moet ik nu al die sites doornemen om erachter te komen wat verandermanagement is? Mijn woordenboek biedt immers ook al geen soelaas: het woord ontbreekt in de online editie  en is dus van te recente datum om als goed Nederlands erkend te worden. Daar zijn 74.100 sites het mee oneens.

Zou het mogelijk zijn om – daar waar leergeschiedenissen helpen om de ontstaanswijze van het collectieve mentale model bloot te leggen – reflectiescenario’s te gebruiken voor het gezamenlijk ontwerpen van de collectieve mentale modellen van de toekomst? Kunnen we als uitgangspunt veronderstellen dat hoe organisaties met zwakke signalen omgaan voor elke organisatie uniek is?