Independent scholar, cat addict, tattoo lover

Floor schrijft

‘Posthumanisme’ is zo’n typisch academisch begrip waar heel veel definities in passen. Sommige daarvan passen bij elkaar of vullen elkaar aan, andere beweren exact het tegenovergestelde. Toch is nadenken over het posthumanisme niet alleen maar interessant als academische discussie. Veel mensen hebben het gevoel dat er iets niet klopt aan vandaag, maar krijgen er niet precies de vinger achter. Tegelijkertijd woedt er in de wetenschappelijke wereld een revolutie die haar weerga niet kent.

Voor de bundel Innoverend onderzoeken. Grondslagen & praktijkvoorbeelden ben ik door de redacteuren Ariënne van Staveren en Hüseyin Susam gevraagd te reageren op de hoofdstukken van Wim Wardekker en Gert Biesta. In mijn analyse van hun werk zie ik veel van het denken terug waartegen ze zich juist willen afzetten. Waardoor, zo vraag ik me af, is het zo moeilijk om je te ontworstelen aan humanistische referentiekaders? Wat is eigenlijk het probleem met die referentiekaders? En wat heeft het posthumanisme te bieden als uitweg?

Voorafgaand aan de masterclasses van NSO-CNA schrijf ik steeds een preflectie: een voorbespiegelend stukje over het thema van de betreffende masterclass. Dit is mijn preflectie bij de masterclass Prestatiesamenleving.

Snel breien voor de wol op is

    “Wat ben je snel aan het breien zeg!”

    “Ja, ik wil de trui afhebben voordat de wol op is.”

In eerdere afleveringen van mijn miniserie over buitendoctoren stond ik stil bij de academische arbeidsmarkt, bij wat de mogelijkheden voor buitendoctoren zijn en bij hoe universiteiten promovendi hierop (beter) zouden kunnen voorbereiden. Met mijn vorige blog heb ik mijn serie even onderbroken voor belangrijk nieuws – namelijk dat de klimaatverslechtering urgent is – en met deze blog herneem ik mijn verhaal door aandacht te schenken aan de werkgeverskant van het buitendoctoren.

Afgelopen jaar heb ik een korte serie opgezet over buitendoctoren, het werkend bestaan van doctoren die buiten de universiteit een loopbaan opzetten. In mijn laatste blog zegde ik toe stil te staan bij de rol van werkgevers. Deze serie onderbreek ik met een blog over een urgenter thema, en vraag ik begrip voor het niet nakomen van mijn belofte.

In deze miniserie over buitendoctoren – het naar analogie van buitenpromoveren beoefenen van wetenschappelijk onderzoek zonder aanstelling daarvoor bij een universiteit – sta ik stil bij wat universiteiten zoal (moeten) doen om promovendi goed voor te bereiden op een loopbaan buiten hun eigen muren. Opvallend genoeg heet dit dan vaak ook meteen ‘buiten de wetenschap’. In de aftrap van deze miniserie over buitendoctoren heb ik uitgelegd waardoor ik het daarmee oneens ben en in de laatste alinea van deze blog laat ik zien dat deze uitsluiting ook onnodig is.

Het lijkt tegenwoordig hip om elkaar over en weer te beschuldigen van slapen en indringend aan de ander te vragen of die wel wakker is. In dit essay ga ik iets anders doen: ik ga mijn eigen slaperigheid en het gevoel dat ik heb bij het ontwaken onderzoeken.

In de film Room* groeit Jack samen met zijn moeder op in een kamer. Moeder Joy is jaren geleden ontvoerd door Old Nick, die Jack bij haar verwekt heeft. Als Jack vijf wordt, vindt Joy het tijd om samen te ontsnappen. Maar hoe leg je uit aan een kind, dat in één enkele kamer is opgegroeid, wat ‘buiten’ is? Zij weet wat het is, zij kent het nog; maar voor Jack is het concept zo nieuw, dat hij eerst hevige paniek moet overwinnen voordat hij kan geloven dat zoiets überhaupt bestaat: buiten.

Net zoals op enig moment een jaar achter de rug is, is ook op enig moment – en met een vergelijkbaar gevoel voor ceremonie – het promoveren achter de rug en ben je doctor. Ik wil het vanuit het optimisme dat je dit lukt hebben over het leven daarna. Iets minder optimistisch ben ik over de kansen op een vaste aanstelling op een universiteit, dus ik wil het hebben over de mogelijkheden om je brood te verdienen met wetenschappelijk onderzoek buiten de universiteit. Buitendoctoren dus.

NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek die namens de Nederlandse overheid geld verdeelt onder onderzoeksprogramma’s, wist dat financiering van de Event Horizon Telescope letterlijk investeren in een zwart gat was, maar dacht misschien ook dat het dat figuurlijk zou zijn. Weggesmeten geld, dus. Daarom wordt er geen geld meer in gestoken.

Om eindelijk ein-de-lijk e i n d e l i j k mijn boek over narratieve sociologie af te kunnen ronden, heb ik mezelf tot het einde van het jaar een deeltijd schrijfsabbatical gegeven. Dat betekent dat ik dit jaar naast mijn al lopend werk geen nieuwe opdrachten meer aanneem. Vanaf 2020 ben ik weer beschikbaar voor narratief onderzoek en voor cursussen en begeleiding daarin, alsook voor andere interessante opdrachten.

Vrijplaatsen - Hoe zou je de menselijke behoefte aan leren, heelheid, onderzoek, verantwoordelijkheid en creativiteit in vrijheid en het directe onderlinge contact anders ook kunnen noemen? Willen we niet allemaal wel eens in de beschutting van elkaar de wereld opnieuw uitvinden? Die behoefte was het vertrekpunt van de vrijplaatsen, verwoord in de Vrijbrieven.

Veel mensen denken dat onderzoek over waarheid gaat. Dat is niet zo. Er is wel veel waar, het klopt bijvoorbeeld dat wanneer je een steen loslaat deze valt, maar dat is geen uitkomst van onderzoek; ook als je het niet onderzoekt, valt de steen. Onderzoek gaat over het waardoor, in dit geval de zwaartekracht. Als je de wet achter het verschijnsel kunt bewijzen, mag je uitgaan van de voorspellende waarde van die wet: in alle gevallen zal de steen vallen.

Bij dezen kom ik uit de kast als non-lezer van Habermas. En hoewel ik zijn werk niet gelezen heb, heb ik er in mijn eigen werk zo nu en dan wel aan gerefereerd. Zonder te verblikken of te verblozen. Habermas is immers op mijn vakgebied voor sommige collega’s een geijkt referentiepunt. Logisch dus, welhaast vanzelfsprekend zelfs, om naar hem te verwijzen. Bijna onbeleefd om het niet te doen. Maar is dit eigenlijk wel oké, praten over boeken die je niet gelezen hebt?

Volgens Pierre Bayard is dit niet alleen oké, het is zelfs de bedoeling.

De grootste valkuil voor enthousiaste onderzoekers is dat ze alles op alles willen betrekken. Begrijpelijk, want dat hoort bij enthousiasme, wat komt van het Grieks voor ‘goddelijke vervoering, inspiratie of bezetenheid’, eigenlijk: een god in zich hebbend. Maar ‘alles’ is heel veel en je kunt, samen met Willem Kloos, wel een God in het diepst van je gedachten zijn, maar daarmee betreed je een andere wereld dan die van de wetenschap. Buitenpromovendi doen er dus beter aan hun enthousiasme ietskes te temperen. Zo heb ik althans zelf ervaren.

What is the relation between city regulation and creativity in producing social, economic and political innovation? This is one of the questions we will address tonight and I would like to take the opportunity to bluntly state that this is a disastrous one and to explain how I came to this statement. Let me start with the latter.

Veel wetenschappers hebben er last van: het gevoel dat de buitenwereld er elk moment achter kan komen dat ze toch niet zo slim zijn als hun titels doen vermoeden. Het gevoel dat je als bedrieger ontmaskerd gaat worden, heet impostor syndrome en komt voort uit twijfel over je eigen prestaties. Heel vervelend, maar je kunt er ook iets aan doen.

Lees verder op de site van Expertisecentrum Buitenpromoveren 

Pagina's