Independent scholar, cat addict, tattoo lover

Volgens OC&W maken buitenpromovendi 65 procent van het totale aantal promoties uit. Wat beweegt iemand om nog eens aan een werkweek van tachtig uur te beginnen? De kloof tussen praktijk en reflectie dichten, zegt de een. Toegang tot de wetenschap, zegt de ander. ‘En natuurlijk is de doctorstitel ook onderscheidend.’

‘De meesten zijn over de vijftig’, schreef hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Marita Mathijsen, ‘een enkele wat ouder, een enkele wat jonger.’ Wat bezielt deze buitenpromovendi, die lang geleden afgestudeerd zijn, ‘om naar iets te streven dat geen enkel ander voordeel oplevert dan een titeltje en meer prestige’? Wat, vroeg Mathijsen, win je nou helemaal als je promoveert? ‘Lang voordat ze aan de rollator toe zijn, willen ze nog de archieven en bibliotheken in, om waar te maken wat ze ooit als droom onvoltooid hebben achtergelaten.’1
Een buitenpromovendus is een onderzoeker die een proefschrift voorbereidt buiten de universiteit. Volgens het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap maken buitenpromovendi 65 procent van het totale aantal promoties uit.2

Het overheidsbeleid is gericht op het aantrekkelijker maken van promoveren door vernieuwing van promotietrajecten en meer variatie in deze trajecten te stimuleren. Daarnaast moet er een betere aansluiting komen van het promotietraject op de arbeidsmarkt buiten de wetenschap. Alleen met talentvolle onderzoekers die kennisintensieve functies in de maatschappij succesvol vervullen, kan Nederland – aldus de overheid – zich profileren als kenniseconomie in Europa en de wereld. En de buitenpromovendus zelf? ‘Ik heb een passie voor het thema’, zegt Anne-Marie Poorthuis. ‘De aandacht voor het netwerk blijft intrigeren. Ik kan niet anders dan ermee bezig zijn.’ Waarom dan promoveren? ‘Zo kan ik het onderwerp een identiteit geven in de wetenschap.’

Promotie als toegang
‘Het is eigenlijk een uit de hand gelopen hobby’, aldus Paul Kloosterboer. Hij heeft altijd veel gepubliceerd en drie boeken op zijn naam staan. ‘Schrijven is voor mij een productieve vorm van zelfreflectie. Sommige publicaties zijn opgevallen in wetenschappelijke kring. Nu wil ik ook wel graag het stempel erop.’ De promotie als toegangsbewijs voor de wetenschap. ‘Ik heb altijd met veel genoegen kennisgenomen van gedachten die in de wetenschappelijke wereld ontwikkeld zijn. Daar wil ik een bijdrage aan leveren, ik wil niet alleen ontvangen. Die bijdrage is zinvol’, zo meent Julien Haffmans, ‘want je leest in wetenschappelijke artikelen over je eigen praktijk en denkt: ze snappen het niet, er ontbreekt wat. Ik wil aantonen dat het wel kan om als wetenschapper je introspecties als data te gebruiken, zodat je de kloof tussen praktijk en reflectie daarop kunt overbruggen. Want in die kloof verdwijnt heel veel.’
Buitenpromovendi hebben iets toe te voegen aan samenleving én wetenschap. ‘Het moet mogelijk zijn voor mensen uit de praktijk om hun nieuwsgierigheid en interesse om te zetten in een wetenschappelijk onderzoek, dat zinnige resultaten oplevert voor wetenschap en praktijk’, meent Janka Stoker. En volgens Roel in ’t Veld is het belangrijk dat mensen met en op basis van hun ervaring promoveren: ‘Bestuurskunde is toch al een beetje droogzwemmen. Gereflecteerde ervaringen zijn dan een goede aanvulling.’

Urgente ambities
In het hbo waren promoties altijd al mogelijk, maar door de ambitie zelf mastersopleidingen te verzorgen en als ‘professional universities’ op te treden, worden promoties daar urgenter. Nu de promotie ook voor hbo-docenten een serieuze optie wordt, neemt volgens Robert-Jan Simons het aantal buitenpromovendi alleen maar toe. En dat is een goede zaak, want niet alleen krijgt zo praktijkkennis die voor de wetenschap belangrijk is vorm, maar er wordt ook kennis ontwikkeld die voor het niveau van het onderwijs van belang is. Maar onderzoek in een hbo-omgeving behoeft, zo vindt Monica van Winkel, nog wel de nodige aandacht. ‘Er zal veel werk in eigen tijd gedaan moeten worden, want het primaat ligt bij het onderwijs.’ De onderzoekscultuur is op de meeste hbo’s nog in ontwikkeling.
Het buitenpromovendusschap is geen vrijblijvende aangelegenheid. De buitenpromovendus krijgt begeleiding en toegang tot een netwerk en expertise. Dat schept verplichtingen. Er is geen sprake van een arbeids- maar van een moreel contract en een louter persoonlijke band met de promotor. Dat stelt eisen aan de relatie tussen buitenpromovendus en hoogleraar. Er zijn hoogleraren die actief buitenpromovendi werven, maar de meeste buitenpromovendi zijn selectief in hun keuze voor een hoogleraar. Zo moet er ruimte zijn voor het eigen onderzoek en moet het onderzoeksprogramma van de hoogleraar niet dwingend zijn, want dan wordt het lastig de eigen lijn te volgen en verdwijnt de authenticiteit. Waar sommige buitenpromovendi een hoogleraar die ze al kennen benaderen, oriënteren andere zich eerst uitgebreid door bijvoorbeeld met verscheidene kandidaat-promotoren in gesprek te gaan. Dat biedt tevens het voordeel van het opdoen van nieuwe contacten en het bouwen aan een netwerk in de wetenschappelijke wereld. Dat dit niet meteen tot een werkrelatie leidt, hoeft niet altijd een probleem te zijn: het promoveren is gewoon alvast begonnen zonder hoogleraar. Vaak kiezen ze meer hoogleraren en/of een copromotor.3
Zo worden ze niet afhankelijk van één expert en combineren ze de (inhoudelijke) kwaliteiten van hun begeleiders. Een te snelle keuze voor een hoogleraar wordt betreurd; het morele contract verbiedt het aan de kant schuiven van een hoogleraar, ook al kan die weinig ondersteuning bieden. Een tweede promotor en/of een copromotor biedt dan uitkomst.

Kansrijk project
Ook hoogleraren hanteren selectiecriteria. Ze begeleiden niet zomaar iedereen die zich met een promotiewens meldt. Het onderzoek moet passen bij de leerstoel en/of bij de persoonlijke interesses. Het helpt om een uitgewerkt en goed onderbouwd voorstel te hebben. Daarnaast wordt gekeken of het project kansrijk is. Is het waarschijnlijk dat iemand de tijd ervoor kan vrijmaken? Kan het geïntegreerd worden in het werk? Kan de onderzoeker goed schrijven en analyseren? Is hij nieuwsgierig? Zijn er eerdere getuigenissen van doorzettingsvermogen?
Volgens In ’t Veld bestaat promotieonderzoek niet uit een serie invuloefeningen; een hoge mate van zelfstandigheid en vrijheid hoeft dus niet alleen voor buitenpromovendi een voorwaarde te zijn, maar kan ook voor hoogleraren een must zijn. Simons merkt op dat de buitenpromovendus ook gevoel moet hebben voor de academische cultuur. Niet alle buitenpromovendi hebben dat gevoel, verzetten zich ertegen of willen er niet bij aansluiten, maar de hoogleraar moet die cultuur wel tot op zekere hoogte bewaken. De buitenpromovendus moet verder, aldus Stoker, en vooral ook over gedrevenheid en realiteitszin beschikken om het proefschrift naast een vaak drukke baan tot een succesvol einde te brengen. Voor sommigen betekent dat in de laatste fase werkweken van tachtig uur.

Overwegingen
In de praktijk van de ene in de andere verbazing rollen en willen begrijpen wat er gebeurt, je verdiepen in je vak en jezelf professionaliseren, genoeg hebben van de t och wel oppervlakkige werkwijze van het vak, het onderzoek zien als een kans om samenhang in de eigen activiteiten aan te brengen, promoveren als zoektocht naar jezelf, je vervelen in je huidige functie – er zijn legio redenen om met een promotieonderzoek te beginnen.
Een slechte reden is op te willen schrijven wat je w eet; daar is immers geen onderzoek voor nodig. De slechtste is het alleen voor de titel of de status doen. Daarvoor is het te zwaar en te veeleisend; je kunt het alleen afmaken als je er lol in hebt. De wereld ligt niet klaar om ontdekt te worden; het is juist de taak van de onderzoeker die wereld in kaart te brengen en aannemelijk of begrijpelijk te maken.
Dat merkt bijvoorbeeld Joop Vorst: ‘Dit onderwerp is nog niet sterk ontwikkeld in de literatuur en de begrippen liggen nog niet vast.’ Het begin is kortom een combinatie van brede interesse en vage noties. Gerhard Smid adviseert als coördinator van het Sioo-onderzoeksplatform vooral veel aandacht te besteden aan de vraagstelling. Zo nu en dan is het promotieonderzoek een vervolg op eerder onderzoek en is het begin er al. De ervaring van de meeste onderzoekers is echter dat de afbakening en het komen tot een onderzoekbare vraag een hels karwei is; de kritische vragen van de (co)promotor worden daarbij gewaardeerd. Als dan de vraag geformuleerd is, kan nog eens blijken dat de kennis van methoden en technieken niet meer helemaal up-to-date of adequaat is. Of dat de praktijk de gekozen onderzoeksmethode niet toestaat. Of dat inhoudelijke kennis bijgespijkerd moet worden.
In deze fase is het belangrijk gestaag door te werken en goede afspraken met de hoogleraar te maken. Maar hoe dan ook zullen er altijd hobbels op de weg zijn die de hoogleraar niet glad kan of wil strijken, kuilen die hij niet kan of wil dichten. Promotieonderzoek is immers een meesterproef die je individueel aflegt. En alsof dat allemaal nog niet genoeg is, moet er brood op de plank komen en roert het thuisfront zich met calamiteiten, verhuizingen of protesten tegen affectieve verwaarlozing. Geen wonder dat buitenpromovendi elkaar opzoeken in promotieklasjes, -scholen en -platforms, of op zoek gaan naar een buddy, om de wederwaardigheden te delen en de eenzaamheid tegen te gaan.
Maar hoe groot de spanning ook kan zijn om zich er steeds toe te moeten zetten en het proefschrift-in-wording zwaarmoedig achter zich aan te slepen, de buitenpromovendus gooit het werk niet gemakkelijk weg. ‘In het begin is het vooral inspiratie en op het eind transpiratie’, zegt Hans de Sonnaville. ‘Maar het is heel leerzaam, heel inspirerend en het levert een ander type opdrachtgevers met andere vragen op. Bovendien ben je als doctor gesprekspartner in de wetenschap.’

Een investering
Wie als buitenpromovendus een proefschrift voorbereidt, doet dat zonder arbeidsrelatie en dus onbezoldigd. De uren die in het onderzoek gestoken worden, gelden als gederfde i nkomsten. Alleen wanneer de buitenpromovendus het onderzoek weet te koppelen aan een betaalde opdracht bij een klant kunnen de uren deels vergoed worden (de tijd voor begeleiding en studie is doorgaans niet te declareren bij de opdrachtgever). Naast deze gederfde inkomsten zijn er uitgaven aan materiaal, vakliteratuur, congresbezoek, et cetera. Die kunnen als studiekosten worden afgetrokken v an de belastingen, mits aantoonbaar is dat ze leiden tot een verbetering van de huidige arbeidssituatie of kans bieden op een nieuwe baan. Voor buitenpromovendi in loondienst kan de levensloopregeling uitkomst bieden wanneer het nodig blijkt langere tijd aaneengesloten aan het proefschrift te werken. Aan de kant van de universiteit ligt het verhaal anders: daar wordt geld verdiend aan de buitenpromovendus. Anders dan voorheen krijgen de faculteiten vandaag de dag evenveel geld voor een succesvolle buitenpromovendus als voor een dito assistent-in-opleiding (aio), namelijk veertigduizend euro. Daarentegen zijn de kosten voor een buitenpromovendus aanzienlijk lager; in tegenstelling tot de aio toucheert hij immers geen salaris van de universiteit, krijgt hij relatief weinig begeleiding van een hoogleraar en komt hij niet in aanmerking voor wachtgeld. De buitenpromovendus kan dus lucratief zijn voor universiteiten. De Universiteit voor Humanistiek (UvH) is een uitzondering, omdat die als aangewezen instelling geen vergoeding voor succesvolle promoties int. Daarom worden buitenpromovendi niet kosteloos door de UvH begeleid en krijgen zij vierduizend euro in rekening gebracht. Ook sommige faculteiten die wel de bonus krijgen, bieden voor enkele duizenden euro’s per jaar begeleidingspakketten aan en verhuren werkplekken. Andere bieden de buitenpromovendus kosteloos faciliteiten aan, zoals cursussen en een bibliotheekkaart. Er zijn ook faculteiten die onder bepaalde voorwaarden vergoedingen bieden of een financiële tegemoetkoming in de drukkosten van het proefschrift.

In de praktijk
Marc Coenders: ‘Het leren op een nieuwe manier te kijken en te denken, heeft zijn meerwaarde nu al. Onderzoek doen was voor mij een nieuwe manier van leren waar ik veel aan heb gehad in de reflectie op mijn eigen praktijk van handelen.’ Daar komt bij dat de modellen en concepten uit het onderzoek altijd wel weer terugkomen en in de praktijk gebruikt kunnen worden. En natuurlijk is de doctorstitel ook onderscheidend.
Maar ook voor de promotor is er winst. Een hoogleraar heeft altijd belang bij een goede promotie, want daar wordt hij als begeleider voor gewaardeerd. Bovendien is het aantal promoties voor een hoogleraar belangrijk. Zijn staat van dienst kent dus kwalitatieve en kwantitatieve criteria. Daarnaast leert de promotor veel van de buitenpromovendus en krijgt hij toegang tot praktijkkennis, recente literatuur en nieuwe perspectieven. Het is leuk om met gemotiveerde mensen te werken. En tegenover een promotie staat een financiële vergoeding. En dan is het zo ver: de hoogleraar vindt het werk ‘promovabel’ en stelt een leescommissie of manuscriptcommissie samen die het werk beoordeelt. In een enkel geval is er geen hoogleraar te vinden die het proefschrift ondersteunt. In de meeste gevallen wordt het onder voorwaarden geaccepteerd. De buitenpromovendus die de wijze raad opvolgt, beantwoordt niet lang daarna de vragen van de opponenten uit de corona totdat de pedel met zijn ‘hora est’ een einde maakt aan de openbare verdediging. Na de laudatio neemt de jonge doctor de bul en het applaus in ontvangst. En op dergelijke momenten weet Marita Mathijsen: ‘Dat is wat mijn buitenpromovendi ook drijft: ze zoeken de jongen of het meisje van twintig in zichzelf terug, om af te maken wat ze ooit aan zichzelf beloofd hebben.’4

Literatuur
Herman Lelieveldt (2007). Promoveren. Een wegwijzer voor de beginnend wetenschapper. Uitgeverij Aksant
Patricia A. Gosling & Bart D. Noordam (2006). Mastering Your PhD. Survival and Success in the Doctoral Years and Beyond. Springer. (Hierover zei een hoogleraar: ‘Dit boek moet niet gepubliceerd worden, want promoveren is net zwemmen, sommigen kunnen het niet en verdrinken. Zo selecteren we de besten. Als je iedereen leert zwemmen verpest je het systeem.’)
Voor wie niet wil stoppen met wetenschap na de promotie: Henk Procee, Herman Meijer e.a. (red.) (2004). Bij die wereld wil ik horen! Over de vorming tot academicus. Uitgeverij Boom.

Noten
1. Marita Mathijsen (2005). Buitenpromovendi. NRC Handelsblad, 17.9.2005.
2. Ministerie OC&W (2005). Onderzoekstalent op waarde geschat.
3. Een copromotor is een begeleider die zelf geen doctor hoeft te zijn.
4. Mathijsen (2005).

 

Basten (2007). De onvoltooide droom. Aantal buitenpromovendi groeit gestaag. Management en Consulting, 2 (8-12).