Independent scholar, cat addict, tattoo lover

Openingswoord bij “Te slim voor de arbeidsmarkt”, 22 oktober 2014

Anders dan misschien bij jullie in de zaal het geval is, wilde ik nooit op de universiteit werken. Ik begon in 1988 aan een studie Franse Taal en Letterkunde, omdat ik lerares wilde worden. Ik begon in 1993 aan een paar vakken bij Onderwijskunde, omdat ik een goede lerares wilde worden. Dat deed ik zo voortvarend, dat ik in 1994 afstudeerde op beide studies. Ik werd alleen geen lerares, want een loopbaan is soms ongepland en grillig en ik kon meteen aan de slag bij de Universitaire School voor Informatica met het implementeren van een onderwijskundige vernieuwing. Halverwege mijn contract kwam ik erachter dat je verandering helemaal niet kúnt implementeren en besloot ik uit intellectuele verveling om een proefschrift te schrijven. Ik deed als buitenpromovendus uiteindelijk, na diverse valse starten met verschillende onderzoeksvragen, onderzoek naar de opleiding Bedrijfswetenschappen en in 2000 promoveerde ik bij Sociale Wetenschappen. Daarna deed ik nog een postdoc onderzoek naar actief burgerschap en toen was mijn maximum van zes tijdelijke contracten bereikt. Ik had dus tegen die tijd als student, niet-wetenschappelijk personeel en wetenschappelijk onderzoeker kennisgemaakt met de alfa-, bèta- en gammafaculteiten. En hoewel ik het als student altijd heerlijk had gevonden op de universiteit, vond ik het er als werknemer een kleine ramp. Dat komt deels omdat grote organisaties en ik niet zo goed samengaan, en deels omdat ik de sfeer op de universiteit een beetje vilein en niet zo collegiaal vond. Toen mijn zesde contract afliep en er dus gekozen moest worden tussen vertrekken en een vaste aanstelling, besloten de universiteit en ik na goed overleg uit elkaar te gaan. Daar ben ik geen moment rouwig om geweest en ik vermoed de universiteit ook niet.

Ik was dus nooit van plan om te blijven, maar bleef toch zo lang mogelijk. Waarom? Dat is heel eenvoudig: ik vond onderzoek heel leuk en er schoot me gewoon niks beter te binnen dan dat de universiteit een noodzakelijke voorwaarde was om daar mee bezig te blijven. Maar in 2002 was het dus zover en ik betrad de niet-universitaire arbeidsmarkt, volkomen onvoorbereid op wat me daar te wachten stond. De afbeelding hiernaast is van een artikel in De Intermediair uit 2004. De titel, “Het academische getto”, verwijst naar het overdonderende gebrek aan belangstelling van het bedrijfsleven voor jonge doctoren; wat hen restte waren “lullige uitzendbaantjes”. Ik denk dat de niet-universitaire arbeidsmarkt nu anders is dan toen, al is het maar omdat “de vaste baan” als verschijnsel aan het verdwijnen is; maar jonge doctoren lopen nu tegen vergelijkbare verwachtingen aan over hoe ze van meerwaarde kunnen zijn voor niet-universitaire werkgevers. Met name voor doctoren in de alfa- en gammadisciplines is het lastig om werk te vinden dat past bij hun opleiding tot wetenschapper. In die opleiding leer je om moeilijk te doen. Als je niet moeilijk doet, is je onderzoek waarschijnlijk niet vernieuwend. Je kunt eigenlijk pas een bijdrage aan de wetenschap doen, en daar gaat je promotieonderzoek tenslotte over, als je moeilijk doet. Maar buiten de wetenschap zit bijna niemand te wachten op moeilijk-doeners. Dat was tenminste ook mijn ervaring.

De stapel hiernaast bevat de advertenties, mijn brieven, de ontvangstbevestigingen en afwijzingen naar aanleiding van zo’n 200 vacatures tussen 2002 en 2003. Ik solliciteerde bij overheid, bedrijfsleven en universiteit naar banen in onderzoek, beleid en advies. Niet alle sollicitaties waren van harte, want ik had sollicitatieplicht en moest wel. Desondanks gaan 200 afwijzingen je niet in de koude kleren zitten. Je bent ergens goed in en toch lukt zoiets eenvoudigs als een baan vinden je niet. Je gaat je afvragen of er iets mis is met jou en of bewezen intelligentie niet eerder tegen dan voor je pleit. En niet alleen begrijp je er zelf weinig van, voor je omgeving is al helemaal niet te rijmen dat je met je doctorstitel op zak zo weinig vooruitkomt met je carrière. Je was toch altijd zo slim? Jou lukte toch altijd alles? Waarom vallen de werkgevers niet over elkaar heen om jou in dienst te nemen? Uit navraag bleken de meeste afwijzingen voort te komen uit “te hoog opgeleid” (bij overheid en bedrijfsleven) of “in de verkeerde richting gespecialiseerd” (bij universiteit). Ik had wel gesprekken, maar daarin was geen klik. Soms vermoedde ik dat degene tegenover mij vreesde voor haar eigen baan, soms mocht ik op komen draven, zoals bij een marktonderzoeksbureau in Rotterdam, omdat ze nieuwsgierig waren naar “een echte academicus”; alsof ze er nog nooit eentje in het wild waren tegengekomen. Hoe dan ook, voortdurende afwijzing is vervelend en bovendien zette het UWV mij steeds meer onder druk. Ik werd lichtjes wanhopig en overwoog mezelf als stagiaire aan te bieden. Dan was ik in elk geval ergens binnen en kon ik laten zien wat ik in huis had. Ik opperde dit aan een vriendin en die wist niet wat ze hoorde: “Je bent gepromoveerd en dan wil je als stagiaire beginnen?!? Is dit echt je slimste idee tot nu toe? Waarom begin je niet je eigen onderzoeksbureau?” Soms heb je gewoon iemand nodig die je op het voor de hand liggende wijst. En hoewel ik nog nooit een dag in mijn leven ondernemer was geweest, besloot ik nog die dag het te worden.

Ik noemde mijn onderzoeksbureau OrléoN. Dat staat voor “Organisaties leren Onderzoeken”, en is een iets frivoler klinkende acroniem dan OLO. De dubbelzinnigheid die erin zit is niet toevallig: ik voer onderzoek uit voor opdrachtgevers en ondersteun mijn opdrachtgevers in hun eigen onderzoek. Ik hou contact met collega-wetenschappers door over mijn onderzoek te publiceren en erover te presenteren op congressen. Ik bouw gestaag aan iets wat je een onderzoeksprogramma zou kunnen noemen, maar dan zonder leerstoel. Terugkerend thema is in- en uitsluiting in de samenleving door verschillen in hoe kennis gewaardeerd wordt (gradaties tussen de echte, neutrale en zowat heilige kennis van de wetenschapper en de mix aan mythes, halve waarheden en kortzichtige inzichten die in de onderbuik van oi poploi gist; de kwalificaties zijn niet die van mij, maar bevatten de connotaties die aan dat verschil in waardering ten grondslag liggen). Mijn methodologie is die van narratief onderzoek, waarbij ik patronen in verhalen probeer te vinden om collectieve logica’s te identificeren. Lang verhaal, te lang voor hier, dus ik laat het even bij.

Met OrléoN begon ik in 2003 en in de loop van de tijd werd me duidelijk dat die begeleiding bij onderzoek eigenlijk een grotere vraag was dan ik zelf kon bedienen. Ik wilde geen mensen in dienst nemen, maar had wel in vijf jaar tijd een groot netwerk van onderzoekers opgebouwd. Ik besloot dit voor zichzelf te ontsluiten en richtte in 2008 Campus Orleon op als netwerk voor onderzoekers in de samenleving. Inmiddels hebben zich enkele honderden mensen hierbij aangesloten. We doen onderzoek voor opdrachtgevers en op eigen initiatief. We begeleiden ook opdrachtgevers bij hun onderzoek, bijvoorbeeld met een curriculum voor onderzoeksvaardigheden, maar ook met de Campus Coaches, die zich speciaal richten op promovendi en de Promovenditelefoon als service aanbieden. Zelf heb ik vorig jaar samen met Kerstin van Tiggelen Handboek Buitenpromoveren op de markt gebracht. Speciaal daarvoor ben ik weer eens in de literatuur over wetenschapssociologie en de psychologie van het promoveren gedoken. Wat ik me toen pas goed realiseerde, en wat me best geholpen zou hebben toen ik in 2002 een baan ging zoeken, is dat promoveren van invloed is op je identiteit, doordat je anders naar kennis gaat kijken en dus de wereld om je heen anders gaat zien. Ik denk dat dit de waterscheiding is tussen gepromoveerden en de niet-universitaire arbeidsmarkt, wat ik eerder “moeilijk doen” noemde en wat voor wetenschappers zo vanzelfsprekend is, dat ze vergeten dat dit juist is wat hen kenmerkt. En aan de kant van de niet-universitaire arbeidsmarkt mag, zo vind ik, dat moeilijk doen wel wat meer als kracht erkend worden, want met alleen maar “makkelijk doen” lossen we de vraagstukken in onze samenleving niet op. Als dat genoeg was, zouden we immers geen vraagstukken hebben; en niemand zal lang vol kunnen houden dat we ons utopia volbracht hebben.

Een andere activiteit van Campus Orleon is methodiekontwikkeling en ons zwermonderzoek is daar een voorbeeld van. Met zwermonderzoek verzamelen we elk vanuit een eigen onderzoeksvraag tijdens een event data, bijvoorbeeld met interviews, vragenlijsten en observaties, en daar schrijven we een essaybundel over. Zo waren we vorig jaar met vier onderzoekers bij de 2013 editie van “Te slim voor de arbeidsmarkt”. Onze belangrijkste conclusies waren dat promoveren “een van ons” worden betekent; je wordt door wetenschappers erkend als gelijke. De universiteit verlaten, komt dan eigenlijk neer op “afvallen”, je hoort er niet meer bij. Dat is waarschijnlijk waarom jonge doctoren, net als ik destijds, de universiteit zien als noodzakelijke voorwaarde om met wetenschap bezig te zijn; dat is jouw gemeenschap – maar hierover zo meteen meer. Daarnaast zijn er volop kansen voor bèta-doctoren, want er is veel belangstelling voor techniek als oplossing; maar naar alfa- en gamma-doctoren is minder vraag. Het lijkt erop dat we in een technocratie leven waarin onderzoek naar de waarden en betekenissen die we hechten aan onze wereld (en die dus ook meespelen in onze probleemdefinities; “moeilijk doen”) minder relevant wordt geacht dan onderzoek naar mogelijke oplossingen (“makkelijk doen”). Dat vind ik een foute zaak, maar het is de vraag of de verantwoordelijkheid voor het overbruggen van die eerder genoemde waterscheiding enkel bij de individuele doctor ligt. Bovendien leidt onderbenutting van wat alfa’s en gamma’s in huis hebben tot vernietiging van intellectueel kapitaal. Er was, zo concludeerden wij, behoefte aan een nieuw verhaal, een verhaal waarin wetenschap meer is dan de universiteit, waarin wetenschap de drijvende kracht in de samenleving is, waarin promovendi leren dat ze hun eigen werkplek binnen de wetenschap ook buiten de universiteit kunnen kiezen en creëren, waarin de onderzoekende mens het vertrekpunt is en waarin de zorg om dit alles voor elkaar te krijgen gedeeld wordt door universiteit, overheid, bedrijfsleven, media en promovendi zelf. Wie dit allemaal wil nalezen, verwijs ik naar onze essaybundel.

Tot slot. Het verschijnsel universiteit is pas 815 jaar oud. Voor die tijd was er al volop wetenschap. Laten we die 815 jaar eens zien als een dag. Dan is de universiteit pas gisteren, zo rond kwart voor twee in de middag ontstaan. Het idee dat onderzoek op een universiteit thuishoort, stamt uit het ontwerp van de Von Humboldt universiteit in 1815. In onze dag is dat vanochtend geweest, vijf uur geleden, toen ik net in de auto zat om vanuit de Ardennen op tijd hier te kunnen zijn. In de jaren ’60 ontstond de zogenaamde Academic Revolution, waarmee de universiteit zich het monopolie op wetenschappelijke kennis toe-eigende. In onze dag is dat twee uur geleden, ik zat toen in de trein ergens tussen Utrecht en Amsterdam. Maar de universiteit hoeft niet een noodzakelijke voorwaarde te zijn om met onderzoek bezig te blijven. Voor wie dat idee laat varen, zijn er legio kansen voor een leven na de universiteit, en ik hoop dat ik met mijn verhaal vandaag daar een aanstekelijk voorbeeld van heb laten horen.